lesbische meisjes hebben sex marokkaanse hoeren sex

..

Sexdate enschede thai sex massage amsterdam

Over de bruggen ging ik van ­Hermitage tot Carré en de maan ging met mij mee. De maan hing boven de voetbalvelden van VVA en het was precies zoals mijn oma zei, de maan liep met ons mee. Ik zal een jaar of vijf geweest zijn. De sluisdeuren van de Amstelsluizen stonden open zag ik en hoezeer het mij ook speet, bij de Hogesluis moest ik rechtsaf.

Pas toen ik langs het Sarphatipark fietste zag ik de maan weer, want ik heb ogen in mijn rug. In het verlengde van de Eerste Jan Steenstraat stonden naast elkaar zes mensen de maan te fotograferen.

Wonderlijk, want geen mens lijkt ooit naar de maan te kijken. Ook nu niet, want het was een zwerm spreeuwen in een boom die gefotografeerd werd. Toen de zwerm opvloog , de maan bijkans verduisterend, stoven de zwermkijkers uiteen.

En zo gebeurde het dat er in de Eerste Jan Steenstraat drie mensen naast elkaar een blauwe maan stonden te fotograferen. In een steeds grijzer wordend verleden had ik een betrekking bij een grote uitgeverij die kantoor hield in een buitenwijk van Haarlem. Als het ­lunchuur was aangebroken zag je daar een heleboel mannen en vrouwen die zich naar hun auto haastten om in nog grotere haast weg te rijden.

Nader onderzoek leerde dat ze bij een aan de weg naar Alkmaar gelegen motel moesten zijn. Wat zijn daar gingen doen, is mij onbekend, maar eenmaal terug op het werk oogden ze vaak wat verfomfaaid. De stelletjes die ik in diezelfde tijd in het Miranda Paviljoen aan de Amstel zag, oogden in het geheel niet verfomfaaid, integendeel, ze oogden prachtig. Hij was meestal vijfenveertig en strak in het pak, zij nog net geen achtendertig, zorgvuldig opgemaakt, met oorbellen en hoge hakken.

Ze dronken witte wijn en zuchtten. Als ze vertrokken, liepen ze ieder naar hun eigen auto. Minder bekend is dat jonge mensen ook zulke hangouts hebben. Voor gestolen kussen treffen ­Marokkaanse geliefden elkaar graag in het plantsoentje van de Harmoniehof bij mij om de hoek, maar een nog mooiere plek was het charmante snackhuisje aan het begin van de Vossiusstraat, vlak bij de Van Baerle.

De jongens hier waren zelden ouder dan 19, terwijl de meisjes niet verder reikten dan 16, maar alles in hun gedrag wees op overspel. De schichtige blikken, de vaak wanhopige zuchten, het schimmige van hun komen en gaan.

Het snackhuisje is afgebroken, maar de jongens en meisjes die er kwamen, zullen een andere plek hebben gevonden. Niemand die mooier over straten schrijft dan ­Patrick Modiano. Zijn roman De horizon uit was me ontgaan, maar kwam met enige vertraging toch op mijn pad, zodat ik het weer eens kon controleren, en ja hoor: Op weg van hier naar daar kruis je de Rapenburgerstraat wel eens en een enkele keer volg ik hem een stukje, maar de straat als geheel wist me lang te ontsnappen.

Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik ontdekte dat het einde van de straat tegenover de Harmoniehof ligt, van elkaar gescheiden door Boerenwetering en Hobbemakade, maar toch. Aan het einde van de straat kan je het begin niet zien. Wel een hoog gebouw, waarvan de kenner aan mijn zijde beweerde dat het om het Okura ging.

Onderweg beleefden we vele avonturen. Zo kwamen we langs een Albert Heijn die in koloniale waren deed en was er een boekenkastje met Ilias en Odyssee in het Grieks. Toen kwamen we aan de rivier waar de straat zijn oorsprong vindt en konden we niet naar de Unie voor een biertje, want een café is geen rivier.

Mijn grootvader was een strijker. Hij heette Cees en was kort na zijn tiende verjaardag naar Amsterdam vertrokken. Aalsmeer met zijn zwartekousenkerk waar hij op zondag vier keer naar toe moest, was hem te machtig geworden. Hij had zijn klompen aangetrokken en was naar Amsterdam gelopen. Of hij daar bij iemand terecht kon, of dat hij eerst als een jongen uit een roman van Dickens dagen en nachten over straat heeft gezworven, weet ik niet.

Als iemand dood is, merk je pas wat je vergeten bent hem te vragen. Het waren de dagen van het opkomende socialisme. Mijn grootvader sloot zich aan. Hij hoorde Pieter Jelles spreken, en Wibaut, en Domela. Hij werd leerling typograaf en was lid van de Bond. Het was een kleine man, met rossig haar dat hem al snel in de steek liet. Hij trouwde met een dienstmeisje, Jannetje Kastelijn, een weeskind afkomstig uit Apeldoorn. Haar dienstje was op de Nassaukade, bij dokter Spanjer die goed voor haar was.

Hij kon onbedaarlijk lachen om tante ­Anna, die in het duister van de alkoof bij een kaars de kaart legde. Maar zelf was hij een strijker die met golvende bewegingen pijn wegstreek. Je gaat de Albert Heijn binnen en het lijkt voorjaar en als je weer buiten komt, is het noodweer. In de ­beschutting van een portiek in de Ferdinand Bol stond een oude ­Indische vrouw. Het waait zo en ik ben bang dat ik val. Dus ik ben heel voorzichtig. Tot de stoplichten alstublieft. Ze ging bij de Bestseller even wat sigaretten kopen.

En dan neemt ze straks een lift terug, bedacht ik nadat ik afscheid van haar had genomen. Bij de brievenbus bij ons in de straat kwam ik de mevrouw van de postzegelwinkel tegen. Ze vertelde me dat ze met Theo van de Kaas een wedstrijd deed wie vaker in Klein geluk voorkwam. Goede kansen lachen je toe. Ook in de toekomst. Waar ik ook woonde, de middenstand heeft zich altijd in mijn warme belangstelling mogen verheugen.

Vooral wisselingen van de wacht interesseerden mij zeer. De jaren in de ­Bosboom Toussaintstraat waren wat dat betreft een goudmijn, want straat en buurt ondergingen in die tijd grote veranderingen, wat je uiteraard terugzag in het winkelbestand.

Melkboer en bakker verdwenen uit de straat, abonnementsrestaurant Alco moest eraan geloven, en zelfs Piet en Truus van de sigarenwinkel, waar het zo uitbundig naar stamppot andijvie met een slavink ruiken kon, sloten uiteindelijk de deuren. Maar er kwam van alles voor in de plaats.

Mijn favoriete nieuwkomer zat vlak om de hoek van de Eerste Constantijn Huygensstraat. Zomaar zonder aankondiging was hij er, een vrijwel lege zaak, bemand door een grote zwarte man in een blauw pak dat van glinsterende kunststof leek. Hij zat roerloos achter een toonbank waarop drie blikken motorolie op elkaar gestapeld stonden. Voor zover ik kon nagaan zat hij er van 10 tot 6, een maand of zeven schat ik, toen was hij verdwenen.

Achter de balie hing de brief die hij op 23 augustus vanuit het hotel geschreven heeft: I would like very much to accept your invitation for tonight, but owing to the fact that I have taken a big dose of Castor Oil, I will have to stay in the house for a few days. From yours truly, Louis Satchmo Armstrong. We liepen op de Nieuwe Keizersgracht, aan de zonnige kant, op het tweede stuk, voorbij de Wibautstraat, vanaf de Amstel gezien dan.

Het is zo mooi en stil hier dat je aan je ogen en oren gaat twijfelen. Het aardige is dat de bewoners van al dit moois uitkijken op tamelijk lelijke flats aan de andere kant van het water. Je ziet dat wel vaker. Een tijd lang kwam ik in de Kerkstraat op een verdieping in een van de ­lelijkste huizen van de stad, en dat wil wat zeggen.

Maar als ik vanuit dat lelijke huis naar buiten keek, zag ik op een paar meter afstand een van de mooiste huizen van de stad. Het werd bewoond door ­typograaf Helmut Salden en ik heb het altijd erg gevonden dat hij vanuit zijn prachtige huis moest zien wat er tegenover hem stond.

Wij waren inmiddels aan het einde van het grachtje gekomen. Aan de overkant stond het Rosenthal-May Zusterhuis waar vroeger Jet woonde, de coupeuse die nog voor prinses Beatrix coupeerde, en voor ons lag de Hortus met zijn kassen. Omdat het al bijna donker was lieten we de Hortus links liggen en begaven ons naar café Koosje, voorheen café De Plantage, waar toen twee wonderlijke Duitse dames de scepter zwaaiden.

De bazin altijd op haar vaste plaats, haar vriendin druk bezig de chaos in het keukenkastje aan te pakken. Takel het raam omhoog. Vergrendel het raam met de ketting. Opmerkelijk dat er altijd wel iemand rende om hem te halen. Wij ook toen ons moment gekomen was. Het is interessant te zien hoe namen van drankjes veranderen. Toen ik nog dronk had je, in aflopende grootte, de grote pils, het biertje en het ­colaatje pils, waarbij aangetekend dat een grote pils ook wel een vaasje werd genoemd.

Een ­Amsterdammertje kon je niet ­bestellen. Als tijdens het schenken je glas niet vol raakte, maar de jeneverfles wel leeg, was wat er in het glas zat voor jou, gratis en voor niks, en dat heette een Amsterdammertje. Geen café dat er nog weet van lijkt te hebben. En dan de kopstoot. Dat is tegenwoordig een biertje met een jonge borrel ernaast. Als je in mijn tijd een jonge jenever bestelde, vroeg de barjuffrouw of het wel goed met je ging en of je niet liever een ­citroentje met suiker wilde.

En die ging in de pils. Je kon hem er ingooien, maar liever lieten wij de borrel met glas en al in het bier zakken. Een duikboot heette dat. Wat nu een kopstoot wordt genoemd, heette een stelletje. Ook lekker, meen ik me te herinneren. Inmiddels vraag ik me af of het wel goed gaat met de jenever. Wie heeft ooit zoiets gehoord. En met de glazen zijn ook al problemen. Met gierende geeuwhonger stond ik op station Sloterdijk.

De ch was in de klok, maar zie, de Döner Company was nog open en er stond geen rij. Goede raad was deze keer niet duur en nadat ik de kleurenbijlage aan de wand bestudeerd had, bestelde ik voor 3,50 euro een medium broodje kalfsdöner met sambal, dat ik even later ingepakt de tram binnen smokkelde. Zo halverwege, verdekt opgesteld tussen conducteur en ­bestuurder, begon ik aan het eerste tramdiner van mijn leven.

In de Hongerwinter hadden we honger, nu had je hooguit trek. Een goede vriend vertelde me onlangs dat hij in de Hongerwinter een keer tegen­over zijn moeder zat en toen de letters die hij zag begon te spellen: Toen de Hongerwinter afliep, was hij twee, dus voor het waarheidsgehalte van de anekdote kon hij niet instaan.

Ik leerde pas lezen toen ik op school zat, maar toen las ik ook alles wat los en vast zat. De eerstvolgende keer in de tram liet ik haar zien dat ik gelijk had.

Het stond er inder­daad, de i was weggevallen en is niet meer teruggekeerd. Ook vanavond reed ik langs de Slatunèn­weg. Mijn toenmalige vriendin en ik konden overal ­ruzie over maken. Over schoenen, schepen, ­zegellak, kolen en koninginnen en waarom de zee kokend heet is en of varkens vleugels hebben. Kwam ze thuis en vroeg ze: Gisteren hebben we ook al andijvie gegeten. Deze keer kwamen we van een feest op de Film Academie, waar ik haar woede had opgewekt door een snierende opmerking te ­maken over de befaamde concentratiekampfilmer Joris Ivens.

Ik had Joris er op een soort troon zien zitten met allemaal meisjes aan zijn voeten die in stille aanbieding naar hem opkeken. Een stuitend tafereel, vond ik. Maar dat was ze, laten we het voorzichtig formuleren, niet met me eens. Toen we in het vale morgenlicht van een late zomernacht door de ­Jacob van Lennepstraat naar huis liepen, laaide de ruzie weer op.

Ze gaf mij een schop en ik haar een zet, zij mij een klap en ik haar een schop. Ze begon te schelden en ik overwoog net tot terugschelden over te gaan, toen ik het gevoel kreeg dat we werden bekeken.

De stokoude vrouw die op één hoog achter het raam in een grote fauteuil zat, had een brede glimlach op haar gelaat. Ik denk vaak aan haar zoals zij daar zat. Net Willemien, eenzaam maar wel met zijn drieën. Storm in de stad. Toen ik de deur uitging, werd me ­gevraagd of ik niet door straten met bomen wilde lopen en of ik niet beter een vergiet op kon zetten.

Eenmaal op straat bleek het inderdaad stevig te waaien. Wat wind mee had, zeilde over de weg, en wind tegen had een kop als een brulboei. Wat er helemaal niets mee te maken heeft, maar wel illustreert hoe je iemand totaal kunt vergeten, terwijl Netty Rosenfeld toch een van de aardigste mensen was, die ik gekend heb.

Haar man had een tijdje een verhouding met de actrice Christel Adelaar, die in Pipo de Clown de rol van zijn vrouw speelde. En toen die een keer bij haar op de stoep stond, riep Netty naar haar man: Trams reden niet meer in het ­kader van de storm en fietsen was me te link. Ik bleef dus in eigen buurt.

Toen ik bij Martyrium een krant kocht, zei mevrouw Martyrium: Ik bezorgde toen de krant op de Plesmanlaan en omgeving.

Op een pleintje in het hart van de storm had ik mijn fiets met de Parooltassen tegen een lantaarnpaal gezet toen de fiets kantelde en mijn laatste honderd kranten in een windhoos terecht kwamen. Daar ben ik toen gaan aanbellen om ze terug te vragen. Veel niet-abonnees bleken erg aan hun krant gehecht. Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers.

Want hij had nogal eens last van wanbetalers. Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam. Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman. Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van.

Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten. In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang. Ik zat aan tafel en schreef een brief aan een vriendin die ik heb leren kennen in de zomer van De vakantieliefde van vorig jaar, voor wie ik naar Canet-Plage gekomen was, was voorbij en ik was in mijn dooie eentje naar het strand gegaan.

Nadat ik mijn handdoek in het zand had gelegd, zag ik dat er een eindje verderop onder een grote parasol drie meisjes zaten. Eentje in een blauw badpak, eentje met een zwarte strooien hoed op en een met hagelwitte tanden. Wat een leuke meisjes, dacht ik, maar zij zaten daar en ik stond hier en hoe ik hier in daar moest veranderen, wist ik niet. Daarom liep ik naar zee en dook in de golven.

Toen ik weer opgedoken was en naar mijn handdoek liep, was hij verdwenen. Het was het meisje in het blauwe badpak dat met mijn handdoek naar mij zwaaide als met een zakdoek naar een vertrekkend schip. In mijn jaarlijkse brief aan haar haalde ik herinneringen op aan haar vader, die Gauloises rookte in maispapier, aan de pingpongtafel in de tuin voor hun huis aan zee, aan Capri, de hond en aan de ­Canigou natuurlijk, die altijd toekeek.

Toen de brief in zijn enveloppe zat en ik die wilde adresseren, kon ik het adres niet vinden. Maar plotseling schoot me de agenda uit te binnen die ik altijd bewaard heb, en daar stond het, in mijn jongenshandschrift, Hortensiastraat De Leidsestraat was vroeger een sjieke winkelstraat met deftige herenmodezaken, boekenwinkels, theesalons, een tapijtenhandel, een platenzaak waar je op maandagmorgen moeders in de rij kon zien staan om voor hun zonen een kaartje te kopen voor het nachtconcert van Gerry Mulligan, juweliers, diverse schoenenwinkels, restaurant Bali en twee delicatessenwinkels.

Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks. Bij de sigarenwinkel vlak voorbij het KLM gebouw kocht ik een pakje sigaretten. Als je ja zei, sneed hij met een pennenmesje het pakje open en tikte ­tegen de onderkant tot de sigaret naar buiten kwam, die ik tussen mijn lippen nam om me vervolgens voorover te buigen naar het gasvlammetje dat brandde op de toonbank.

Als ik met de tram door de Leidsestraat rijd, kijk ik naar het verleden, maar ik zie het niet, behalve het korte ogenblik dat ik in de etalage van Eichholtz het Drostemannetje zie staan. Toen mijn moeder haar blikjes Delmonte nog bij Eichholtz kocht, reden we een keer over een bergpas in Zwitserland, de Gotthard of de Brenner of zoiets.

Ik lachte en ze lachten terug, ik zwaaide en zij zwaaiden terug. Toen ik door de draaideur naar binnenging, bedacht ik dat ik het pasje dat toegang geeft tot de studieruimte vergeten was.

Ik meldde me dus bij de balie. Alles was spannend dat jaar en alles mocht, samen met een vriendje schrift na schrift vol tekenen met eitjes die uit een paaseierenfabriek kwamen bijvoorbeeld, of een boek van huis meebrengen en daar tijdens de leesles in lezen.

Wat niet mocht, was opscheppen. Ik had een vriendje waar ze thuis een poes hadden die op de wc ging. Dat vertelde hij een keer, maar mevrouw Besier was het daar niet mee eens, dat vond ze een vorm van opschepperij. Ik denk daar nog vaak aan. Ze was al dik in de tachtig toen ik haar een keer aan de telefoon kreeg. Ik weet wat ze ervan had gevonden, dat ik dit nu opgeschreven heb.

Zoals ik af en toe doe, zat ik De reis om de wereld in 80 dagen te lezen. Zoals altijd ging Phileas Fogg zijn beroemde weddenschap aan, waarna hij zich ­samen met zijn kersverse bediende Passepartout naar Charing-Cross Station spoedt.

Zoals altijd geeft Fogg de twintig guineas die hij zojuist aan de whisttafel heeft gewonnen aan een behoeftige waarop hij samen met Passepartout naar de wachtkamer gaat. En daar lezen we: Ik voel wel eens heimwee naar het gasvlammetje op de toonbank van de sigarenwinkel of naar het geluid van een tennisbal geslagen door een houten racket, maar bovenal heb ik heimwee naar de steile wand, naar het geluid van de motoren die je op de kermis al van verre hoorde, naar de mannen op de motoren die eerst een voorzichtig rondje reden en dan, als ze iets harder gingen, hun motor tegen de steile wand op stuurden, steeds sneller en steeds hoger, tot ze vlak onder de rand ­reden en je ze zo zou kunnen aanraken.

Met losse handen reden ze hun rondjes, achterstevoren op hun motoren gezeten, met gevaar voor eigen leven, onverzekerd bovendien. Want dat werd er aan het slot van de voorstelling altijd bij ­gezegd, waarna het muntjes ­regende in de piste. Op ons viermaandelijkse kopje thee, in Wildschut deze keer, dronken we koffie verkeerd en cappuccino, een en ander ­gebracht door een vermakelijk meisje dat ons toen we heel erg te lachen zaten, kwam vertellen dat ze iets in onze thee had gedaan.

Mijn vriend is van mijn leeftijd, maar dan iets ouder en ons theedrinken eindigt altijd met de ­mededeling dat hij het qua fietsen nu echt iets rustiger aan gaat doen. Aan het begin van het gesprek heeft hij dan verteld dat hij tijdens een tocht om het IJsselmeer ter hoogte van Stavoren met een snelheid van 70 in het uur een stevige smak heeft gemaakt. Stavoren lag deze keer in Amsterdam-Noord, in een bos bij het Noordhollands kanaal.

Mijn vriend is blij dat hij nog dingen doet waardoor je in het ziekenhuis kan belanden, dus eigenlijk was dat ribbetje een tegenvaller. We kregen het over straatnamen. Was ik al eens in de Internetstraat geweest, of op de Disketteweg? Kende ik het Orgeldraaierspad, en hoe was ik met de Snelfietsweg? Maar soms was ze zo ongeduldig dat ze tot toverspreuken overging om het huis een handje te helpen. Ze heeft het me nooit verteld, maar ik geloof dat ze erin geloofde. Ik zou het ook graag doen, maar ik heb zoveel spullen om me heen verzameld, dat zelfs Sint Antonius er geen wijs uit weet.

Maar wat het huis verliest, brengt het huis terug, soms zelfs dingen waarvan je niet wist dat je ze had. Gisteren was het een boekje van Siegfried van Praag met de titel De Eeuwige Plantage, zijn in geschreven herinneringen aan de Plantage waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij vertelt daarin, nooit geweten, dat de Plantage aan het einde van de negentiende eeuw een buurt was van kroegen en bordelen.

In de tijd dat we in de Bosboom Toussaintstraat woonden, ging ik op werkdagen om kwart voor negen de deur uit om naar mijn werk te gaan. Nadat ik de eindeloze trap was afgedaald, liep ik de straat in, waarna ik de Alberdingk Thijmstraat kon nemen om dan de Van Lennepkade af te lopen.

Ik kon ook de De Genestetstraat ­nemen om vervolgens dezelfde kade af te lopen. De derde mogelijkheid was helemaal doorlopen naar het einde van de straat en dan meteen de Nassaukade op. Onderweg groette ik kapper Cor, die al vrolijk te knippen stond, zwaaide ik naar de bereden polities die mij koutend tegemoet kwamen en maakte ik vaak een praatje met Martin Bril, die er altijd vroeg bij was. Het was een plezierig wandelingetje naar bus Op een gegeven ogenblik begon het me op te vallen dat ik vaak een zwangere vrouw zag, dat ik steeds vaker een zwangere vrouw zag en dat het verdomme wel leek of alle vrouwen zwanger waren.

Bleek dat er in de De Genestetstraat een geboortecentrum was neergestreken. Wanneer ik mijn huidige behuizing verlaat, zie ik mensen met wandelstokken en mensen op krukken, achter rollators en in rolstoelen. Het zal, denk ik, iets te maken hebben met Medisch Centrum Roelof Hart dat, een paar jaar geleden alweer, het postkantoor heeft overgenomen. Mij hebben ze niet meer.

Zie ik overal trambestuurders met hun conducteurs, dan veronderstel ik een remise, zie ik allemaal koksmutsen een koksschool, maar wat te denken van allemaal aluminium kokertjes als patronen op de stoep en in de goot?

Op het kleine stukje Olympiaplein achter het Van Heutszmonument telde ik er maar liefst dertien. Inmiddels ben ik er achter. Middelbare school in de buurt. Op weg naar zomaar een wandelingetje hield ik even halt voor café De Zeepost op de hoek Prins Hendrikkade-Oudezijds Kolk en bekeek de schitterende krulletters op de ruit. Dat weet u zo niet, maar de broer van mijn grootvaders zuster was de eerste krulletterschilder van Amsterdam en deze letters zijn nog van zijn hand.

Uit meen ik. Het al even fraaie zeilbootje in de vensterbank is gemaakt door zijn tante die bekend stond als Schele Greet. Bij de Oude Kerk liep ik de steeg met de kinderhoofdjes in die Oudekerksplein heet en waar lang geleden een kolenwinkel zat die in zijn etalage een enorm brok steenkool ­exposeerde.

Even later stond ik voor de Dolle Begijnensteeg. Volgens de overlevering was het in deze steeg dat wij, een stel kinderen uit de zesde klas van Erasmusschool onder wie Joke Vlietman en Hans van Bronkhorst, een emmer water over ons heen kregen toen we door de kier in het gordijn van een peeskamertje naar binnen stonden te loeren.

Eerder die middag waren we op het Rembrandtplein naar het Waterorgel geweest, een nu vergeten attractie, waarbij een orgel als het bespeeld werd in zijn pijpen gekleurd water omhoog stuwde, een symfonie van kleur en muziek zal ik maar zeggen. En daarna dus hup naar de dolle begijnen. Met Marcel van antiquariaat Feniks had ik het over de raadselachtige prijzen die je tegenwoordig betaalt voor de boeken van Hanny Michaelis. Haar dichtbundels die allemaal van voor zijn, kan je overal kopen, en voor een symbolisch bedrag.

Maar Verst verleden waarin ze over haar jeugd verhaalt, is vrijwel onvindbaar en als je het vindt onverwacht duur. De vrouw ­begon te lachen en ging er meteen weer vandoor. Als je met haar in de auto zit en je zegt dat we rechts af moeten, gaat ze ongezien naar links, en omgekeerd.

Maar het gekke is dat je de boel niet recht kunt trekken door alles om te draaien. Om de een of andere reden gaat ze dan wel rechtsaf. Marcel dacht een tijdje na en zei toen dat hij het gevoel had in een sketch van Walden en Muyselaar te zijn beland.

Na een lange wandeling door de stad waren we hier toen neergestreken om op een belangrijk telefoontje te wachten aangaande dochter en klein grut, dat zich tijdens onze wandeling leek aan te kondigen in de vorm van een veelkleurige bal, gevonden in de Reestraat.

Als het goed is, is de bal nog ergens. Als we zitten en een andere besteld hebben, wijst mijn geliefde me op de telefoon aan de muur achter ons. Het is een ouderwetse cafételefoon. Je kon er mee bellen, maar niet gebeld worden. Zou hij het nog doen? Toen onze kleindochter een jaar of drie was, waren er nog telefooncellen in de stad. Als ze op de Elandsgracht de cel tegenover het hoofdbureau van politie in de ­gaten kreeg, moest ze altijd nodig met oma in Parijs bellen.

Wat na het inwerpen van de denkbeeldige muntjes altijd prima lukte. Na haar gesprek liepen we de Oude Kinkerbrug over de Singelgracht op waar we inmiddels verzamelde takken in het water gooiden om te kijken of ze aan de andere kant van de brug weer tevoorschijn kwamen.

Tien jaar geleden ­alweer? Toen onze portie calamares zich bij het bier en de wijn had ­gevoegd, kwam er een zwarte poes op de bar zitten die de pose aannam van de zwarte poes op het beroemde affiche van cabaret Le Chat Noir.

Op het Leidseplein reed de 5 net voor onze neus weg. Een goede reden, leek ons, om een kijkje te nemen bij het opgefriste Américain. We gingen de heerlijke draaideur door, stapten het café binnen en werden prompt tot staan gebracht door een vrouw die er geen misverstand over liet bestaan dat we in het gedeelte waar je iets kon drinken, niets te drinken zouden krijgen.

Dat de bar open was, hebben we voor kennisgeving aan genomen. Weer thuis zette ik de televisie aan, en meteen weer uit, want daar had je hem weer, De Stem, de geheimzinnige stem die in televisieland de boel aan het overnemen is. Wij kijken altijd naar Het Journaal, maar dat is verleden tijd, want enkele weken geleden was daar plotseling De Stem.

De Stem komt erin als iemand iets zegt in een andere taal dan het Nederlands. Eerst was de stem er alleen in Het Journaal, maar inmiddels doet hij ook series. Helemaal in zijn eentje leest hij alle stemmen voor. Als je bij het Centraal Station uit de 24 stapt, of uit de 4 of de 26, maakt niet uit, en je loopt in de richting van de hoofdingang dan zie je in de uitbouw van de eerste toren een deur zo groot als een staldeur. Tot voor kort kon je hier vaak een groep Oost-Europese straatmuzikanten treffen die hem vooral op de klarinet stevig wisten te raken.

De mannen op de brug over de Zwanenburgwal naar het Waterlooplein speelden misschien beter, maar het Centraal Station Ensemble had meer pit. Beide groepen zijn verdwenen, de Peruviaanse panfluiters achterna, denk ik. Ik dacht meteen aan kroketten, maar toen ik dichterbij kwam, bleek het om een restauratiebedrijf te gaan. Er werd weer eens wat hersteld aan het station, een mens kijkt er van op. Maar toen we de hoek om ­waren en door de enorme ruit die achter de staldeuren blijkt schuil te gaan naar binnen keken, bleef ik in stille verbazing staan.

Wat ik zag was een prachtig houten plafond, dat was afgezet met vrolijke schilderijen van engeltjes of cherubijnen, het verschil is me nooit helemaal duidelijk geworden. Iets wat ik graag eens zien zou willen. Bij banketbakker Arnold Cornelis in de Van Baerlestraat stond om te proeven een lekkernij op de toonbank waarvan ik me de naam niet herinnerde, maar die ik herkende en waarvan ik me de smaak meende te herinneren.

Toen ik een hapje had genomen, wist ik dat ik me niet vergistte. Waar mijn moeder kaasvlinders kocht, weet ik niet meer, maar ze kocht ze op de zaterdagse expeditie die begon bij het Hammenhuis in de Sint ­Luciensteeg en die mijn vader en haar vervolgens naar een slager in de Jordaan voerde voor leverworst, naar een taartjeswinkel in de Maasstraat voor een bepaald soort droge gebakjes en dan nog ergens heen voor rauwe Gelderse.

De gedachte dat je bij een winkel meer dan een lekkernij zou kunnen kopen, hield mijn moeder voor ketterij. Die moesten door de velg gestoken worden en vastgeschroefd.

De schemering is nog niet begonnen, maar er hangt een haast ­onzichtbare nevel ­boven de Zoutkeetsgracht die de schemering lijkt aan te kondigen. De gracht ligt er prachtig bij, stil en onaangedaan, het IJ nabij maar veraf tegelijk. Achter een groot raam staat een vrouw iets aan de lade uit een ladenkast te poetsen. Haar werkplaats is in­gericht als een timmerbedrijf, maar ik denk dat ze zich meer met restauratie bezighoudt dan met timmeren. In haar vensterbank staat een houten vrachtwagentje, zo hartverscheurend mooi dat ik mijn neus tegen het venster druk als was ik Kruimeltje voor de etalage van de banketbakker.

Als de timmervrouw opkijkt, zwaai ik naar haar, waarop ze ­terugzwaait, mensen die ge-zwaaid worden, zwaaien altijd ­terug. Maar nee, dat weet ik niet. Aan de overkant van het water ligt een zeilschip, waarvan mast en fokkenstag met lichtjes zijn versierd. In de huizen branden kaarsendakjes en kerstbomen, in het donker is overal licht. We gaan ­onder het spoor door, steken de Haarlemmerstraat over en lopen richting Noordermarkt als we bij café Papeneiland langs een grote kerststal komen.

Jezus en Maria, os en ezel, de Wijzen uit het Oosten, het hele spul, achter glas, aan de Prinsengracht, met de Westertoren in de verte. Hoewel het dooide, was het spiegelglad op straat. Je kon het zien, want niemand liep ­gewoon door de bagger die even eerder nog sneeuw was geweest, iedereen tilde zijn voeten op.

Ondanks de dooi was het koud. Niet zo koud dat de stratenmakers hun werk mee naar huis namen, maar de verhuizer die op het ­Museumplein in zijn verhuis­wagen tussen de meubelen stond, liet weten dat hij met dit weer toch liever op het strand zat.

Het Passage Kwartet in de passage onder het Rijks speelde, zoals gewoonlijk, de Lente van Vivaldi en behalve een accordeon klonk nu ook de schuiftrompet. In het Concertgebouw zouden ze deze bezetting ook eens moeten proberen. Achter de ruit die de hal van het museum toont, stonden vijftien kinderen met kwasten gewapend achter een schildersezel in een halve cirkel om een model heen, dat op een stoel op een ­verhoginkje zat.

Ze zag er uit als Jacoba van Beieren lustte geen ­eieren. Tussen de andere toeschouwers ontwaarde ik de man die zich indertijd bezig hield met het bestuderen van het bazenprobleem. Wat wilde zeggen, dat hij in ieder café vroeg wie hier de baas was, waarna er in vele gevallen verschrikkelijke vechtpartijen losbarstten met vliegende barkrukken en veel brekend glaswerk.

Een en ander uiteraard tot grote vreugde van de aanwezigen. Nadat ik hem in café de Ster had voorgesteld aan Karel van het Reve, vroeg Karel mij wat hij deed.

Waarop ik zei dat hij het bazen­probleem bestudeerde. Alies uit Roelofsarendsveen die het onder het knippen vaak zo gezellig met mij praat, blijkt ­helemaal niet uit Roelofsarendveen te komen, maar uit Boekelo. Of was het Dwingeloo, daar wil ik van af wezen, maar in ieder geval vertelde ze mij hoe een week eerder een bejaard echtpaar zomaar twee fietsen die voor de winkelruit stonden omver had gelopen.

Ze stonden ernaar te kijken alsof ze bij Madame Tussauds stonden, echt van die museumpoetsers. Mooi woord hè, het schoot er zo maar uit. Dat heb ik wel vaker, dat ik ineens een nieuw woord verzin. En dat woord blijf ik dan gebruiken, want ik wil in de Dikke Van Dale. Dat is het enige wat ik op mijn bucketlist heb staan. Hij deed iedere dag een bladzij. Bucketlijsten bestonden toen nog niet, maar de postbode wilde in Tel uit je winst van Theo Eerdmans, een quiz waar je duizend gulden winnen kon.

Om de zaak te vergemakkelijken had hij de vragen die hem gesteld moesten worden, alsmede de antwoorden, alvast aan Eerdmans opgestuurd. De postbode kwam vaak op kicksen naar de kroeg, want dat was zijn tweede grote ambitie, profvoetballer worden bij Santos. Maar dan moest hij wel trainen, vond Marie die hem daarom regelmatig veertig rondjes om het biljart liet rennen.

Als ik mijn ogen sluit, hoor ik nog het geluid van zijn noppen op de granieten vloer. Tien dagen voor kerstmis kocht mijn moeder op de Bos en Lommer een piepklein kerstboompje dat ze thuis optuigde met echte kaarsje die iedere avond even branden mochten.

Echte kaarsjes was veel mooier, maar toch ging ik altijd naar de kerstboom van tante Corrie kijken met zijn gekleurde lichtjes, zijn engelenhaar en zijn kerstballen in alle kleuren. Bovendien brandde bij tante Corrie de kachel. Als ons boompje stond, gingen we naar de bloemenmarkt op het Singel voor de jaarlijkse kerstbomenmarkt. Mijn ouders waren unaniem van mening dat de ­bomen daar veel te groot waren, maar dat ze mooi waren en heerlijk roken, daarover waren we het eens.

Het ritueel duurde totdat ik ik liever de kerstbomenversiering in het café ging inspecteren, waarbij de versiering bij Emmelot op de hoek van Lange Niezel en Oudezijds Voor altijd als winnaar uit de bus kwam. Piet had twee hele dagen nodig om de takken op te hangen, en weghalen was zoveel werk dat het vaak tot Pasen duurde. Op de bloemenmarkt verkopen ze houten tulpen en in cafés kom ik niet meer, om deze tijd van het jaar ga ik naar de binnentuin tussen de Roelof Hart en Gerard Terborgh.

De helleborus staat in bloei, maar ik kom voor de grote magnolia en zijn knoppen die opzwellen aan de kale takken. Terug op straat, zo ter hoogte van de kerstbomenverkoper op het plein, kwam me een vrouw tegemoet die een grote tak magnolia bij zich had en zo voorjaar en toekomst met zich mee voerde.

Ik was het café al voorbij toen ik zachtjes neuriënd op mijn schreden terugkeerde en alsnog naar binnen ging. De jongeman en de jonge vrouw die achter de tap stonden, droegen ­allebei een hagelwit overhemd en aan de bar zat een piepklein meisje voorover op haar ellenbogen ­geleund.

Nadat ik een kruk had bezet, keek ik nog eens goed, maar het was inderdaad een meisje. Een jaar of 5 zo te zien. Ze had een tekenschrift binnen handbereik en naast haar stond een van roze ballonnen gevouwen hondje. Ik bestelde een jonkie, waarna de jongeman in het witte overhemd een kelkje voor me neerzette en dat vol schonk, maar zonder kop erop, zoals ik merkte toen ik me voorover boog om het de Roomse borrel behandeling te geven.

Zijn collega was inmiddels aan de bar gaan zitten met een kom erwtensoep die begeleid werd door twee plakken roggebrood met spek. Aardappelen lust ze niet, maar ze is gek op broccoli, bloemkool, boerenkool, dat soort dingen. Jij bent er wel vaker geweest, maar zij niet. Mooie winkels verdwijnen sneller dan de koeien kalveren. Maar Vlieger zit er nog. Ik word duizelig van geluk als ik binnenkom. Al die laadjes met al dat ­papier met al die namen, awagami ogura, byakka kinsunago, grafica 2,95, ingres 1.

En die heerlijke enveloppen in alle kleuren. Bij het trappetje naar de bovenverdieping waar ze in verf doen, bekijk ik de vitrine met lang geleden door Vlieger uitgegeven boeken en prenten, A is een aapje, De kleine wees, Het kat en muisspel, maar dan moet ik er vandoor.

Geen groter genoegen dan op de smalle stoep te staan terwijl de tram door de straat reed. In de tram was het ritje door de Bakkerstraat al even spectaculair, vooral als het ­moment kwam dat je bocht om ging, want dat kon eigenlijk niet, zodat het ­altijd leek of je zo de Amstel in zou duiken. Uit een koffer verkocht hij kostuums aan boeren en buitenlui en daarbij deed hij het voorkomen dat er een pak bij was, dat hij eigenlijk niet verkopen wilde.

Omdat het anders en beter was dan de andere pakken die hij in zijn koffer had, terwijl ze alle vier precies hetzelfde waren. In de oorlog waren zijn ouders ondergedoken, in Driebergen. Ze werden verraden, maar ontsnapten uit het politiebureau. De rest van de oorlog zaten ze in een gat in de grond in een bos in de omgeving. Ik vraag me vaak af wie die verraders waren.

Die hadden het, zoals we in de boeken van hun kinderen kunnen lezen, juist druk met het redden van ­Joden. Maar wie dan wel? Ik geloof niet dat ik ooit een interview heb gelezen met iemand die vertelt hoe in de oorlog bij de ­buren ondergedoken Joden heeft aangegeven. Daarom hadden ze een primus, koffie en een doos suikerklontjes bij zich. Dat waren dan de suikerklontjes. Daar stonden drie biljarts. Ik biljartte met een kinderkeu.

Meneer de Laat gaf me een Heineken kistje. Anders kon ik er niet bij. Als Ajax verloor, werd het Hotel de Houten Lepel. Op het strand van Tel Aviv staan vier groen geverfde houten fietsen in vier maten. Het zijn geen echte fietsen, maar je kan er wel op fietsen.

Een eindje verderop stond een meisje met haar rug naar de hoge zee een selfie te maken. De golf die haar schoenen zouden overstromen, zag ze daarom niet aankomen. Ze schrok, maar ze moest ook lachen.

Sommige dingen zijn overal en altijd gelijk. Gisteren gingen we met de trein van Tel Aviv naar Akko. Zee en strand reisden mee. Geen mens te zien en af en toe wolken bougainville in vele kleuren. Ze waren geen dag ouder geworden. Tijdens de officiële opening lazerde de directrice van het ­museum van een trapje, sprak Freddy Hollander die alles geregeld had mooie woorden en keek Eberhard van der Laan vanaf een foto toe.

In mijn eigen toespraakje bleek ik zonder dat ik het in de gaten had van het Engels in het ­Nederlands te zijn verdwaald, maar de zaal leek dat niet te deren. Terug in Tel Aviv reden we naar de markthal aan de haven waar we ons in het restaurant boven de kramen met aardappelen en uien aan lekker eten wijdden.

Omdat ik op sjiek moest, moest ik naar Warenhuis het Wespennest voor een paar schoenen, een broek en een overhemd.

Een jasje bleek ik gelukkig nog te hebben. Toen we de ingang in het oog kregen met daarachter de kramen met glitterende vrouwen die in geuren doen, wilde ik ervantussen. Maar ik vermande me, drukte de holte van mijn hand als een kapje over neus en mond en haastte mij richting roltrap.

De arm van de cosmetica reikt ver, maar de eerste verdieping hebben ze nog niet overgenomen dus daar kon ik weer ademhalen. Een broek is meestal veel gedoe, maar de tweede broek was raak deze keer. Schoenen hadden ze niet in mijn maat, maar het overhemd was perfect.

De verkoopster dropte ons bij de kassa, waar we onder helse muziek aansloten bij een rijtje. Mijn geliefde was aan het afrekenen toen de caissière me vroeg of ze me ergens mee kon helpen. Ik zei dat ik al geholpen werd. U keek zo kwaad naar ­elkaar. De baleinen uit mijn vaders overhemden waren altijd kwijt, herinnerde ik me. Waar ik ook ben in de stad, altijd vraag ik me af of ik hier wel eens bij iemand in huis ben geweest. Opmerkelijk vaak is dat niet het geval.

In Zuid zijn hele buurten waar ik straat voor straat binnen ben geweest, bij vrienden, vriendinnen, of op feestjes. Zoveel huizen als ik ken in Zuid, zo weinig ken ik er in Oost en ook in het Centrum heb ik niet veel van binnen gezien. Ik overdacht een en ander toen ik op weg was naar een teruggevonden vriend die in de Gasthuismolensteeg bleek te wonen. Het verlengde van de steeg, de Hartenstraat, had me wel eens ontvangen.

Voor enkele opmerkelijke dagen en nachten op een kamer boven een snackbar en met uitzicht op een restaurant, waar ik jaren later eens een tongetje ging eten met Jan Cremer. Toen ik mijn mes in de tong zette, bleek hij niet geheel ontdooid. Een kwartier later werd een nieuwe tong gebracht die toen ik aan zijn achterkant begon al eerder aangesneden bleek.

Misschien niet mijn slechtste horecaervaring, maar het komt in de buurt. Mijn teruggevonden vriend was in de tussentijd gedichten gaan schrijven, zevenregelige verzen, waarin hij de zee zichtbaar maakt. Inmiddels waren het er meer dan duizend.

Ik kwam ogen en oren ­tekort en kon ze nauwelijks geloven. Van deze grenzen was de ­Admiraal de Ruijterweg de ­belangrijkste. Want de Admiraal de Ruijterweg was levensgevaarlijk, zoals mijn moeder nooit ­naliet te benadrukken. Als je die overstak, was je eigenlijk al dood. Dat kwam door de trams die er reden, de Kikker en de Blauwe Tram naar Zandvoort.

De Kikker was gevaarlijk, maar een tram. De Blauwe Tram was een trein en dus nog veel gevaarlijker. We mochten de Admiraal de Ruijterweg niet oversteken, maar nergens stond geschreven dat je er niet naar kijken mocht, en dat ­deden we dus. Vanaf onze kant ­keken we naar de verboden overkant, waar niets te zien was, maar die ons toch trok, omdat hij verboden was.

Met enige regelmaat denderde de Blauwe Tram voorbij. Daas van opwinding legden we een cent op de rails en wachtten af, in een portiek, want als de tram ontspoorde kon je maar ­beter niet te dicht in de buurt zijn. De Blauwe Tram reed over onze centen heen alsof ze er niet waren.

De week daarop probeerden we het met stuivers, maar ook een stuiver was niet genoeg voor een ontsporing, zodat we uitweken naar de bouwterreinen achter de Hoofdweg. Gewapend met twee planken staken we het eindeloze drijfzand over. We renden over de steigers van de nieuwbouw en aan het einde van de middag reden we met het lorrietreintje terug naar het Bos en Lommerplein. Vlaams Friteshuis Vleminckx op de hoek van de Voetboogsteeg en de Heiligeweg maakt volgens velen de lekkerste patat van de stad.

In die mening kan ik me vinden en vandaar dat ik als ik trek heb in een patatje vaak aansluit bij de rij die vrijwel zo permanent is als die bij het Anne Frank huis.

Een niet gering pluspunt van Vleminckx is café Havelaar aan de overkant, waar je je patatje mag opeten met een biertje erbij. In het café stond de barkeeper glazen te spoelen. Terwijl hij mijn biertje tapte, zei hij dat ik hem bekend voorkwam. Waarop ik hem vertelde over een kennis in de kaasbusiness en met verstand van wegen die op de markt een ons paté wilde kopen. Het stuk dat de koopman vervolgens met zijn mes aanwees, was volgens mijn kaaskennis ruim twee ons, en dat zei hij ook.

En dan vooral het gedeelte waarin meester Pennewip de versjes van zijn hoogbegaafde leerlingen ­nakijkt en zelfs corrigeert.

Ook het vers van Slachterskeesje raakt me, hoe vaak ik het ook lees, altijd diep in de ziel: Het meisje, ik denk dat ze een jaar of zeven was, droeg een blauwe jurk met sterretjes en had een bosje houten tulpjes bij zich, heel feestelijk. Ik zei dat ik haar zou waarschuwen en vroeg of ze naar een promotie ging. Maar nee, ze ging naar haar zuster. Dat vond ze niet erg, want dat was ze zelf ook zei ze, hoewel ze niet vroeg waar ik heen ging. Op de hoek van de Pieter van der Does en de Admiralengracht, waar vroeger het zwembad was en nu een moskee is, kwam een groep meisjes aanlopen.

De meisjes waren een jaar of tien en op het oorlogspad. De leider keek de gracht af en nadat ze had vastgesteld dat alles veilig was, geen vijand te zien, gaf ze het sein dat het groepje de Pieter van der Does kon verlaten en langs de gracht zijn weg kon vervolgen richting Erasmuspark, waar ongetwijfeld nieuwe avonturen wachtten.

Het is zestig jaar geleden dat wij jongens hier op oorlogspad waren. Er is veel veranderd in de buurt, de gracht is rechtgetrokken, het park is van een wildernis in een park veranderd, de landjes zijn gefatsoeneerd, maar je kan nog steeds zien dat dit een fijne buurt was om op te groeien en dat het dat waarschijnlijk nog steeds is.

Tussen het park en de sportvelden aan de Joos Banckersweg werd op een dag het rietland opgespoten. Niet veel later ontdekte Hans van Bronkhorst dat er kogels, echte kogels, in het zand te vinden waren. Wij jongens vonden dat behoorlijk eng, maar Hans van Bronkhorst niet. Mijn oom Piet had geen auto en daarom gingen tante Gré en hij op zondag wel eens met ons mee voor een gezellig ritje over de oude Utrechtse weg of de nieuwe weg naar Den Haag.

Lekke band, radiator droog gekookt, benzine op, maar als we Amsterdam weer in zicht kregen, zei oom Piet: Want ik wist wat er komen ging. Mijn oom Piet zou zich tot de ­Chinees richten die ons naar een ­tafeltje bracht en iets zeggen als: Wij lekker eten op, ja?! Het gekke was, dat de Chinees het heel gewoon leek te vinden.

Vijf en zestig jaar later kan ik mijn schaamte nog navoelen. In dit boek zeggen de Engelsen en Chinezen dingen tegen elkaar als: Why for you say no can. Om met elkaar te kunnen praten, spraken ze Pidgin.

Mijn oom Piet was er niet op uit de Chinees te kleineren. Hij sprak een taal. Als ik wil betalen, moet ik mijn vijf euro biljet in een gleuf steken, waarna het wisselgeld rinkelend in een bakje valt.

Dat is ook al net Parijs, waar je op deze manier je metrokaartjes koopt. Als ik met mijn stokbrood buiten sta, denk ik aan Lonneke, die hier op zaterdagmiddagen van lang ­geleden in een bloemenwinkel werkte. Lonneke woonde aan de andere kant van de Bos en Lommer, in het buurtje rond de Wiltzanghlaan, waar de avontuurlijker leeftijdgenoten woonden.

Aan ­onze kant van de Bos en Lommer waren we allemaal keurig en ­deden we alles zoals het hoort. We gingen naar de middelbare school en naar de kapper en droegen trouw de kleren die onze moeders voor ons klaarlegden. Maar Lonneke en Ietske en Ria, die aan de andere kant woonden, hadden daar maling aan. Die gingen naar de mulo of de huishoudschool en lieten hun haar millimeteren of verfden het rood. Aan sport hadden ze een broertje dood en ze lazen geen boeken, maar schilderden hun ogen op en maakten schilderijen.

Lonneke drukte regelmatig bij ons op de bel en als ik dan naar beneden was gekomen, bleef ze voor de deur rustig een uurtje met me staan kletsen. Toen ze bij de bloemenwinkel weg was, ging Lonneke trouwen en in Osdorp wonen. De laatste keer dat ik er was, was het er nog niet. Vrijwel ieder jaar fiets of wandel ik wel een keer naar het huis en denk dan aan de jonge Gerard Kornelis van het Reve die op zijn kamertje De Avonden zit te schrijven. Tijd om weer een keer op bedevaart te gaan, maar eerst langs de Gerard Revebrug om te kijken of ie nu Gerard Revebrug heet.

Het moest weer eens op een koopje, net als met de loopplank in Nieuw-West die ze naar Karel van het Reve hebben vernoemd. Bij Schilderskade 66, dat zich ­zoals iedereen weet op de hoek met Saffierstraat bevindt, stapte ik af en ging op zoek naar het ­gedenkteken. Ik keek omhoog, ik keek omlaag, ik ging de hoek om, de Saffierstraat in, maar nul komma niets, geen gedenkteken te bekennen.

En plotseling was daar de twijfel. Was het mogelijk, zou het kunnen, had ik al die jaren een bedevaart naar het verkeerde huis gemaakt?

Dat gedenkteken, dat blijkt er ook al veertien jaar te zitten. We zouden naar de film, maar nadat mijn geliefde de ­deprimerende samenvattingen had voorgelezen, besloten we lijn 1 te nemen. In de 1 wordt de stad steeds groter. Bij de halte Johan Huizingalaan al kon ik er niet over uit dat ik hier helemaal gewoond had. Wat een ongehoord eind fietsen moet dat zijn geweest, en bij deze halte ben je nog niet eens halverwege geloof ik.

We wilden naar het eindpunt, dat zich naar mijn beste weten aan de Sloterplas bevond, maar zich uiteindelijk op Matterhorn bleek te bevinden, bij de Alpen. Toen we uitgestapt waren, was er ter plekke helemaal niets, zodat we de eerste 1 terugnamen, om nu uit te stappen bij Meer en Vaart. De Sloterplas lag er prachtig bij. De fontein spoot zijn waterstraal zo hoog als ie kon en de plas was als een donkere spiegel. We staken over en liepen het winkelcentrum binnen. Prima winkelcentrum, ­alles bij de hand, van Etos tot Hema en fijn veel opticiens, precies zoals het hoort.

Maar bij het Osdorperplein raakte de fut eruit. Mijn aandacht werd getrokken door een snoepjesboeket. Prachtig, maar hoe heetten die snoepjes ook alweer? Nadat ik mijn vraag gesteld had, opende de vriendelijke verkoopster haar mond, maar geluid kwam er niet uit. Ze was haar stem kwijt, Daar stonden we dan, in Osdorp, bij Stam, en bijna Sinterklaas. Het schemert in de Spiegelstraat.

Het blauwe uur is net begonnen en de achterlichtjes van de fietsen vlammen in het halfduister. Bij iedere brug kijk ik de gracht af, over het rimpelende water, langs de bomen en de gevels. Mooie schemering, fijne stad.

Ter hoogte van Heuvel besluit ik er een te nemen. Lang geleden dat ik hier voor het laatst was. Peter Vos leefde nog, want met hem heb ik toen zitten praten. De jeugdige kastelein schenkt een borrel in. De andere klanten zitten aan het bier. Vanaf mijn barkruk zie ik aan de ene kant de feestverlichting in de Spiegelstraat en aan de andere de lichtjes in de bomen langs de Spiegelgracht.

Alle Amerikanen die hier zitten, gaan vergezeld van een Aziatische vriendin, Thais, Philippijns, Indonesisch. Wonderlijk, denk ik, maar zin me er verder in te verdiepen, heb ik niet. Het jonkie smaakt weer goed vandaag, zo goed zelfs dat ik overweeg een opvolgertje te nemen. Gelukkig heb ik al betaald, dit om opstappen gemakkelijker te ­maken. De vier muzikanten zitten in de passage onder het Rijks, en het aardige is dat er een accordeon bij is.

Het licht in de passage komt van de flitsende mobieltjes. Weer buiten kijk ik over de vlakte van het Museumplein, waar ze ­alweer druk bezig zijn het nep-­ophaalbruggetje over de ijsbaan op te bouwen.

Het is doodstil en door de stilte loop ik langs een kaarsrechte streep van witte tegels over het kaarsrechte pad dat het plein in tweeën deelt. Dat er op zaterdag niet warm gegeten werd, maar brood, een ­Amsterdamse gewoonte waarvan ik niet weet of die nog bestaat, was een van de dingen die de zaterdag tot de mooiste dag van de week maakte. Op zaterdag ging de school om twaalf uur uit en het laatste uur werd er niet gewerkt, maar was er een wedstrijd hoofdrekenen of werd ons voorgelezen.

Een saai verhaal vaak, maar dat maakte niet uit, want bij saaie verhalen kon je heerlijk wegdromen, wat bij een spannend verhaal een stuk moeilijker is. Dan kwam het heerlijke ogenblik van de bel. Twaalf uur en vrij, de hele dag nog voor je. Als mijn ­vader uit zijn werk kwam, stond mijn moeder hem voor de deur op te wachten en terwijl hij de laatste trap beklom, zei ze: Om een uur kwam de leesmap.

Heerlijk ogenblik dat je languit op je buik gelegen de nieuwe Robbedoes opensloeg om te kijken hoe het verder ging met Lucky Luke, de Baard en de Kale, Buck Danny en de cowboy van wie ik de naam vergeten ben.

Soms bakte mijn moeder zelfgemaakte kroketten die een heerlijke geur verspreidden in huis. En om acht uur hoefde ik niet naar bed, maar mocht ik ­samen met mijn vader en moeder naar de radio luisteren, naar De Veilingmeester en Cees de Lange met zijn koe en alles wat daarna kwam. Omdat we iets te vieren hadden, zaten we in restaurant Amsterdam aan de haring, de oesters, de kroketjes, de krab en de kreeft en de Bourgueil.

De drukte was als vanouds en de verhalen aan tafel mochten er zijn, zo zeer hadden we het naar onze zin dat we vast voor Kerstmis reserveerden. Dat niet, zei de vriendelijke serveerster, alles was eigenlijk hetzelfde, alleen veel drukker en met een heel grote kerstboom. Neuriënd vertrok ik voor een plasje, waarvan ik zingend terugkeerde.

Ik zong Marina, zoals Rocco Granata het zingt als hij het samen met Arno zingt, tenminste dat verbeeldde ik me. Zij zong Favourite Things, dat zong ze vaak, ook op straat, met als gevolg dat mensen haar vaak voor gek versleten.

Waarin ik wel iets herkende. Eenmaal voorbij de tochtdeuren keerden we terug naar onze tafeltjes. Maar toen zij vertrok kwam ze nog even buurten. Uitleg over onze cookies. Dit is een hash van je huidige session id.

Deze wordt gebruikt om te voorkomen dat anderen zich door middel van browsermanipulatie kunnen voordoen als jou. In dit cookie staat je userid opgeslagen. Deze werkt alleen in combinatie met het sessid cookie dat hierboven al vermeld staat. Hier wordt de schermbreedte van je device opgeslagen. Op basis hiervan kunnen bepaalde elementen wel of niet worden ingeladen of van een passende weergave worden voorzien. Dit cookie wordt door cloudserverdienst Cloudflare gebruikt om de juiste bezoekers naar onze server door te sturen.

Zonder dit id zou je geen pagina te zien krijgen. Deze cookies worden gebruikt door Google Analytics en zij geven ons inzicht in onze overigens anonieme bezoekersstatistieken. Google Analytics wordt door FOK! Deze cijfers worden gebruikt om de site verder te optimaliseren. Bij video's die op onze site gebruikt worden worden door de aanbieder vaak youtube, maar er zijn meer aanbieders cookies geplaatst om bijvoorbeeld het aantal bekeken video's te meten. Bij de afbeeldingen die op de site geplaatst worden door onze bezoekers kunnen cookies geplaatst worden door de gebruiker zelf, danwel door de gebruikte hostingprovider.

Deze worden bijvoorbeeld gebruikt om het bereik van de afbeeldingen te meten. Deze advertentienetwerken verkopen ook advertentieruimte aan andere partijen. Welke partij gebruikt wordt kan per advertentie verschillen.

De adverteerders plaatsen cookies om onder meer het bereik te meten. Deze cookies worden niet door FOK!



lesbische meisjes hebben sex marokkaanse hoeren sex

..



Op zijn hondjes neuken geile gleuf

  • LEKKER MASTRUBEREN GANGBANG GEZOCHT
  • 509
  • Na een lange wandeling door de stad waren we hier toen neergestreken om op een belangrijk telefoontje te wachten aangaande dochter en klein grut, dat zich tijdens onze wandeling leek aan te kondigen in de vorm van een veelkleurige bal, gevonden in de Reestraat. Ik denk daar nog vaak aan.

Rijpe vrouw komt klaar prive ontvangst hoeren


Mijn hart zegt gewoon dat ik niet moet terug gaan. Mijn dochtertje ging naar dr vader een weekend en ik ging bevrijdingsdag vieren met een vriendin. Heerlijk ff lekker stappen. Gelijk kwamen we een jongen tegen 2 jaar jonger dan mij, ik val altijd op ouder!!! Hij bleef met ons ouwehoeren en dansen en was zn vrienden kwijt geraakt.

Heeel apart, maar hij had echt iets. En het gekke is, bezopen mannen vind ik zo afknapper. Wat een leuke jongen dacht ik, enorm veel humor en voelde echt een klik. Hij was ondertussen ook wat aan het ontnuchteren en de klik was overduidelijk van beide kanten. We hebben gezoend en het was godddddelijk, haha. Ik voel me niet snel zooo verliefd, ik kan iemand snel leuk vinden maar dat echte verliefde gevoel wow dat is er echt.

Hij rookt, hij blowt af en toe op feestjes, hij studeert HBO maar heeft het in setp onderbroken en wil nu in sept de draad weer oppakken maar werkt nu ook niet, heeft geen auto ja heb zelf een auto dus ben gewoon gewend heel makkelijk mobiel te zijn! En echt, geen enkel persoon is hetzelfde. Maar ik was altijd diegene met de grootste bek over marokkanen en kijk, heb ik weer. Maar ik leer wel nu om niet zo te oordelen. Vind dat echt een slechte eigenschap van mezelf. Het is immers racistisch!

Hij vertelde mij ook dat hij het zo erg vind dat hij altijd wordt gezien als 'een marokaan' en niet gewoon hem als persoon. En dat hij zich altijd moet verdedigen en discussies met mensen voeren die hij helemaal niet wil.

Het belemmert hem heel erg. Hij is heel intelligent maar ik leef nu zo serieus aangezien ik moeder ben. Hij heeft eerder een relatie gehad met een vrouw van 33 en die had 2 kids. Hij heeft totaaaaal geen problemen mee dat ik een kindje heb. Hij zegt hoe kan ik zo'n lief prinsesje nou afwijzen, dan ben je toch harteloos. Dan ging ik in de bus zitten met mijn koptelefoon op, muziek luisteren en nadenken terwijl de bus me door de stad reed, soms uren lang.

Dat deed me goed. Ik heb nooit zelfmoordneigingen gehad. Ik probeerde positief te denken: Dan was het weer even oké. Op internet zocht ik dingen op over homoseksualiteit.

Wat het is, of het een fase is, of het voor altijd blijft. Ik kon er thuis niet over praten. Vrienden wilde ik er niet mee lastig vallen. Ik voelde me aangewezen op mezelf en eenzaam. Agressief Ik vertoonde me nooit in de woonkamer, ik zat altijd op mijn eigen kamertje.

Met moeder tv kijken is niet meer gebeurd. Mezelf zijn, lachen, praten, ik wilde het niet in hun nabijheid. Ik was bang dat ze iets aan me zouden merken. Als ze naar mij toe kwamen, acteerde ik, was ik een ander persoon. Mijn ouders wisten niet beter dan dat het mijn karakter is: Eigenlijk ben ik zo helemaal niet. Diep van binnen wist ik waarom ik zo deed. De buren Ik ben Marokkaans. Je gaat je moeder niet vertellen dat je gay bent, net zoals je haar niet alleen met 4 boodschappentassen laat sjouwen.

Het heeft allemaal te maken met schaamte en trots. Wat zullen de buren wel niet zeggen als ze haar alleen met al die tassen zien terwijl ze 5 kinderen heeft? Als over zoiets simpels al moeilijk word gedaan, laat staan dat je dan aan kunt komen met je homoseksualiteit. Bewust van mijn omgeving Ik ga gewoon naar gaybars. Zoenen met mijn vriend durf ik daar ook.

Mijn werk heeft me zelfverzekerd gemaakt. Ik ben 5 maanden op missie geweest. Waarom zou ik bang moeten zijn om een gaybar binnen te gaan? Als ik een club binnenkom, scan ik in een split second iedereen die er is.

Ik zoek specifiek gezichten die me bekend voorkomen. Als ik niemand zie, valt er een last van mijn schouders en kan ik mezelf zijn. Ik hoef maar 1 iemand tegen te komen die ik ken en ik keer zo om. Dan ben ik weg en ben ik er nooit geweest.

Terug in Tel Aviv reden we naar de markthal aan de haven waar we ons in het restaurant boven de kramen met aardappelen en uien aan lekker eten wijdden. Omdat ik op sjiek moest, moest ik naar Warenhuis het Wespennest voor een paar schoenen, een broek en een overhemd. Een jasje bleek ik gelukkig nog te hebben.

Toen we de ingang in het oog kregen met daarachter de kramen met glitterende vrouwen die in geuren doen, wilde ik ervantussen. Maar ik vermande me, drukte de holte van mijn hand als een kapje over neus en mond en haastte mij richting roltrap.

De arm van de cosmetica reikt ver, maar de eerste verdieping hebben ze nog niet overgenomen dus daar kon ik weer ademhalen. Een broek is meestal veel gedoe, maar de tweede broek was raak deze keer. Schoenen hadden ze niet in mijn maat, maar het overhemd was perfect. De verkoopster dropte ons bij de kassa, waar we onder helse muziek aansloten bij een rijtje.

Mijn geliefde was aan het afrekenen toen de caissière me vroeg of ze me ergens mee kon helpen. Ik zei dat ik al geholpen werd. U keek zo kwaad naar ­elkaar. De baleinen uit mijn vaders overhemden waren altijd kwijt, herinnerde ik me.

Waar ik ook ben in de stad, altijd vraag ik me af of ik hier wel eens bij iemand in huis ben geweest. Opmerkelijk vaak is dat niet het geval. In Zuid zijn hele buurten waar ik straat voor straat binnen ben geweest, bij vrienden, vriendinnen, of op feestjes. Zoveel huizen als ik ken in Zuid, zo weinig ken ik er in Oost en ook in het Centrum heb ik niet veel van binnen gezien.

Ik overdacht een en ander toen ik op weg was naar een teruggevonden vriend die in de Gasthuismolensteeg bleek te wonen. Het verlengde van de steeg, de Hartenstraat, had me wel eens ontvangen. Voor enkele opmerkelijke dagen en nachten op een kamer boven een snackbar en met uitzicht op een restaurant, waar ik jaren later eens een tongetje ging eten met Jan Cremer. Toen ik mijn mes in de tong zette, bleek hij niet geheel ontdooid.

Een kwartier later werd een nieuwe tong gebracht die toen ik aan zijn achterkant begon al eerder aangesneden bleek. Misschien niet mijn slechtste horecaervaring, maar het komt in de buurt. Mijn teruggevonden vriend was in de tussentijd gedichten gaan schrijven, zevenregelige verzen, waarin hij de zee zichtbaar maakt.

Inmiddels waren het er meer dan duizend. Ik kwam ogen en oren ­tekort en kon ze nauwelijks geloven. Van deze grenzen was de ­Admiraal de Ruijterweg de ­belangrijkste. Want de Admiraal de Ruijterweg was levensgevaarlijk, zoals mijn moeder nooit ­naliet te benadrukken. Als je die overstak, was je eigenlijk al dood. Dat kwam door de trams die er reden, de Kikker en de Blauwe Tram naar Zandvoort. De Kikker was gevaarlijk, maar een tram. De Blauwe Tram was een trein en dus nog veel gevaarlijker.

We mochten de Admiraal de Ruijterweg niet oversteken, maar nergens stond geschreven dat je er niet naar kijken mocht, en dat ­deden we dus. Vanaf onze kant ­keken we naar de verboden overkant, waar niets te zien was, maar die ons toch trok, omdat hij verboden was.

Met enige regelmaat denderde de Blauwe Tram voorbij. Daas van opwinding legden we een cent op de rails en wachtten af, in een portiek, want als de tram ontspoorde kon je maar ­beter niet te dicht in de buurt zijn. De Blauwe Tram reed over onze centen heen alsof ze er niet waren. De week daarop probeerden we het met stuivers, maar ook een stuiver was niet genoeg voor een ontsporing, zodat we uitweken naar de bouwterreinen achter de Hoofdweg.

Gewapend met twee planken staken we het eindeloze drijfzand over. We renden over de steigers van de nieuwbouw en aan het einde van de middag reden we met het lorrietreintje terug naar het Bos en Lommerplein.

Vlaams Friteshuis Vleminckx op de hoek van de Voetboogsteeg en de Heiligeweg maakt volgens velen de lekkerste patat van de stad.

In die mening kan ik me vinden en vandaar dat ik als ik trek heb in een patatje vaak aansluit bij de rij die vrijwel zo permanent is als die bij het Anne Frank huis.

Een niet gering pluspunt van Vleminckx is café Havelaar aan de overkant, waar je je patatje mag opeten met een biertje erbij. In het café stond de barkeeper glazen te spoelen. Terwijl hij mijn biertje tapte, zei hij dat ik hem bekend voorkwam. Waarop ik hem vertelde over een kennis in de kaasbusiness en met verstand van wegen die op de markt een ons paté wilde kopen.

Het stuk dat de koopman vervolgens met zijn mes aanwees, was volgens mijn kaaskennis ruim twee ons, en dat zei hij ook. En dan vooral het gedeelte waarin meester Pennewip de versjes van zijn hoogbegaafde leerlingen ­nakijkt en zelfs corrigeert. Ook het vers van Slachterskeesje raakt me, hoe vaak ik het ook lees, altijd diep in de ziel: Het meisje, ik denk dat ze een jaar of zeven was, droeg een blauwe jurk met sterretjes en had een bosje houten tulpjes bij zich, heel feestelijk.

Ik zei dat ik haar zou waarschuwen en vroeg of ze naar een promotie ging. Maar nee, ze ging naar haar zuster. Dat vond ze niet erg, want dat was ze zelf ook zei ze, hoewel ze niet vroeg waar ik heen ging. Op de hoek van de Pieter van der Does en de Admiralengracht, waar vroeger het zwembad was en nu een moskee is, kwam een groep meisjes aanlopen. De meisjes waren een jaar of tien en op het oorlogspad. De leider keek de gracht af en nadat ze had vastgesteld dat alles veilig was, geen vijand te zien, gaf ze het sein dat het groepje de Pieter van der Does kon verlaten en langs de gracht zijn weg kon vervolgen richting Erasmuspark, waar ongetwijfeld nieuwe avonturen wachtten.

Het is zestig jaar geleden dat wij jongens hier op oorlogspad waren. Er is veel veranderd in de buurt, de gracht is rechtgetrokken, het park is van een wildernis in een park veranderd, de landjes zijn gefatsoeneerd, maar je kan nog steeds zien dat dit een fijne buurt was om op te groeien en dat het dat waarschijnlijk nog steeds is.

Tussen het park en de sportvelden aan de Joos Banckersweg werd op een dag het rietland opgespoten. Niet veel later ontdekte Hans van Bronkhorst dat er kogels, echte kogels, in het zand te vinden waren. Wij jongens vonden dat behoorlijk eng, maar Hans van Bronkhorst niet.

Mijn oom Piet had geen auto en daarom gingen tante Gré en hij op zondag wel eens met ons mee voor een gezellig ritje over de oude Utrechtse weg of de nieuwe weg naar Den Haag. Lekke band, radiator droog gekookt, benzine op, maar als we Amsterdam weer in zicht kregen, zei oom Piet: Want ik wist wat er komen ging.

Mijn oom Piet zou zich tot de ­Chinees richten die ons naar een ­tafeltje bracht en iets zeggen als: Wij lekker eten op, ja?! Het gekke was, dat de Chinees het heel gewoon leek te vinden. Vijf en zestig jaar later kan ik mijn schaamte nog navoelen.

In dit boek zeggen de Engelsen en Chinezen dingen tegen elkaar als: Why for you say no can. Om met elkaar te kunnen praten, spraken ze Pidgin. Mijn oom Piet was er niet op uit de Chinees te kleineren.

Hij sprak een taal. Als ik wil betalen, moet ik mijn vijf euro biljet in een gleuf steken, waarna het wisselgeld rinkelend in een bakje valt. Dat is ook al net Parijs, waar je op deze manier je metrokaartjes koopt.

Als ik met mijn stokbrood buiten sta, denk ik aan Lonneke, die hier op zaterdagmiddagen van lang ­geleden in een bloemenwinkel werkte. Lonneke woonde aan de andere kant van de Bos en Lommer, in het buurtje rond de Wiltzanghlaan, waar de avontuurlijker leeftijdgenoten woonden.

Aan ­onze kant van de Bos en Lommer waren we allemaal keurig en ­deden we alles zoals het hoort. We gingen naar de middelbare school en naar de kapper en droegen trouw de kleren die onze moeders voor ons klaarlegden. Maar Lonneke en Ietske en Ria, die aan de andere kant woonden, hadden daar maling aan.

Die gingen naar de mulo of de huishoudschool en lieten hun haar millimeteren of verfden het rood. Aan sport hadden ze een broertje dood en ze lazen geen boeken, maar schilderden hun ogen op en maakten schilderijen. Lonneke drukte regelmatig bij ons op de bel en als ik dan naar beneden was gekomen, bleef ze voor de deur rustig een uurtje met me staan kletsen. Toen ze bij de bloemenwinkel weg was, ging Lonneke trouwen en in Osdorp wonen. De laatste keer dat ik er was, was het er nog niet.

Vrijwel ieder jaar fiets of wandel ik wel een keer naar het huis en denk dan aan de jonge Gerard Kornelis van het Reve die op zijn kamertje De Avonden zit te schrijven.

Tijd om weer een keer op bedevaart te gaan, maar eerst langs de Gerard Revebrug om te kijken of ie nu Gerard Revebrug heet. Het moest weer eens op een koopje, net als met de loopplank in Nieuw-West die ze naar Karel van het Reve hebben vernoemd. Bij Schilderskade 66, dat zich ­zoals iedereen weet op de hoek met Saffierstraat bevindt, stapte ik af en ging op zoek naar het ­gedenkteken.

Ik keek omhoog, ik keek omlaag, ik ging de hoek om, de Saffierstraat in, maar nul komma niets, geen gedenkteken te bekennen. En plotseling was daar de twijfel. Was het mogelijk, zou het kunnen, had ik al die jaren een bedevaart naar het verkeerde huis gemaakt?

Dat gedenkteken, dat blijkt er ook al veertien jaar te zitten. We zouden naar de film, maar nadat mijn geliefde de ­deprimerende samenvattingen had voorgelezen, besloten we lijn 1 te nemen. In de 1 wordt de stad steeds groter. Bij de halte Johan Huizingalaan al kon ik er niet over uit dat ik hier helemaal gewoond had.

Wat een ongehoord eind fietsen moet dat zijn geweest, en bij deze halte ben je nog niet eens halverwege geloof ik.

We wilden naar het eindpunt, dat zich naar mijn beste weten aan de Sloterplas bevond, maar zich uiteindelijk op Matterhorn bleek te bevinden, bij de Alpen. Toen we uitgestapt waren, was er ter plekke helemaal niets, zodat we de eerste 1 terugnamen, om nu uit te stappen bij Meer en Vaart. De Sloterplas lag er prachtig bij. De fontein spoot zijn waterstraal zo hoog als ie kon en de plas was als een donkere spiegel.

We staken over en liepen het winkelcentrum binnen. Prima winkelcentrum, ­alles bij de hand, van Etos tot Hema en fijn veel opticiens, precies zoals het hoort.

Maar bij het Osdorperplein raakte de fut eruit. Mijn aandacht werd getrokken door een snoepjesboeket. Prachtig, maar hoe heetten die snoepjes ook alweer? Nadat ik mijn vraag gesteld had, opende de vriendelijke verkoopster haar mond, maar geluid kwam er niet uit. Ze was haar stem kwijt, Daar stonden we dan, in Osdorp, bij Stam, en bijna Sinterklaas. Het schemert in de Spiegelstraat. Het blauwe uur is net begonnen en de achterlichtjes van de fietsen vlammen in het halfduister.

Bij iedere brug kijk ik de gracht af, over het rimpelende water, langs de bomen en de gevels. Mooie schemering, fijne stad. Ter hoogte van Heuvel besluit ik er een te nemen. Lang geleden dat ik hier voor het laatst was. Peter Vos leefde nog, want met hem heb ik toen zitten praten. De jeugdige kastelein schenkt een borrel in.

De andere klanten zitten aan het bier. Vanaf mijn barkruk zie ik aan de ene kant de feestverlichting in de Spiegelstraat en aan de andere de lichtjes in de bomen langs de Spiegelgracht.

Alle Amerikanen die hier zitten, gaan vergezeld van een Aziatische vriendin, Thais, Philippijns, Indonesisch. Wonderlijk, denk ik, maar zin me er verder in te verdiepen, heb ik niet. Het jonkie smaakt weer goed vandaag, zo goed zelfs dat ik overweeg een opvolgertje te nemen. Gelukkig heb ik al betaald, dit om opstappen gemakkelijker te ­maken. De vier muzikanten zitten in de passage onder het Rijks, en het aardige is dat er een accordeon bij is.

Het licht in de passage komt van de flitsende mobieltjes. Weer buiten kijk ik over de vlakte van het Museumplein, waar ze ­alweer druk bezig zijn het nep-­ophaalbruggetje over de ijsbaan op te bouwen.

Het is doodstil en door de stilte loop ik langs een kaarsrechte streep van witte tegels over het kaarsrechte pad dat het plein in tweeën deelt. Dat er op zaterdag niet warm gegeten werd, maar brood, een ­Amsterdamse gewoonte waarvan ik niet weet of die nog bestaat, was een van de dingen die de zaterdag tot de mooiste dag van de week maakte.

Op zaterdag ging de school om twaalf uur uit en het laatste uur werd er niet gewerkt, maar was er een wedstrijd hoofdrekenen of werd ons voorgelezen. Een saai verhaal vaak, maar dat maakte niet uit, want bij saaie verhalen kon je heerlijk wegdromen, wat bij een spannend verhaal een stuk moeilijker is.

Dan kwam het heerlijke ogenblik van de bel. Twaalf uur en vrij, de hele dag nog voor je. Als mijn ­vader uit zijn werk kwam, stond mijn moeder hem voor de deur op te wachten en terwijl hij de laatste trap beklom, zei ze: Om een uur kwam de leesmap. Heerlijk ogenblik dat je languit op je buik gelegen de nieuwe Robbedoes opensloeg om te kijken hoe het verder ging met Lucky Luke, de Baard en de Kale, Buck Danny en de cowboy van wie ik de naam vergeten ben.

Soms bakte mijn moeder zelfgemaakte kroketten die een heerlijke geur verspreidden in huis. En om acht uur hoefde ik niet naar bed, maar mocht ik ­samen met mijn vader en moeder naar de radio luisteren, naar De Veilingmeester en Cees de Lange met zijn koe en alles wat daarna kwam.

Omdat we iets te vieren hadden, zaten we in restaurant Amsterdam aan de haring, de oesters, de kroketjes, de krab en de kreeft en de Bourgueil. De drukte was als vanouds en de verhalen aan tafel mochten er zijn, zo zeer hadden we het naar onze zin dat we vast voor Kerstmis reserveerden. Dat niet, zei de vriendelijke serveerster, alles was eigenlijk hetzelfde, alleen veel drukker en met een heel grote kerstboom. Neuriënd vertrok ik voor een plasje, waarvan ik zingend terugkeerde. Ik zong Marina, zoals Rocco Granata het zingt als hij het samen met Arno zingt, tenminste dat verbeeldde ik me.

Zij zong Favourite Things, dat zong ze vaak, ook op straat, met als gevolg dat mensen haar vaak voor gek versleten. Waarin ik wel iets herkende.

Eenmaal voorbij de tochtdeuren keerden we terug naar onze tafeltjes. Maar toen zij vertrok kwam ze nog even buurten. Toen Fräulein Maria terugkwam van weggeweest en Favourite Things begon te zingen, je weet wel, keek ik de rij kinderen af, en verdomd, ik was de enige die zat te huilen. Toen we buiten kwamen, werd er een meisje doodgereden. Omdat ze op de stoep liep. Want op de stoep lopen, mochten we niet. Ik fietste langs het Sarphatipark toen me om de een of andere reden het Kronkelpad te binnen schoot.

Meteen wendde ik de steven en ging het richting Weteringschans. Ik had het pad op de kaart gezien en was benieuwd of het kronkelde. Het was niet gemakkelijk te vinden, maar uiteindelijk kreeg ik het in het vizier. Het ligt in het Weteringplantsoen langs de Singelgracht en kronkeltechnisch stelt het niet veel voor.

Eigenlijk is het vrijwel recht, zodat je je kunt afvragen waarom het Kronkelpad heet. En op dat moment zag ik het borstbeeld van Simon Carmiggelt staan. Mooi beeld, vooral Simons bril staat er prachtig op, maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat Carmiggelt hier vroeger woonde, aan het Eerste Weteringplantsoen, en dat hij daar zijn dagelijkse Kronkel schreef, en vandaar dus Kronkelpad, je moet er maar opkomen.

Ik herinner me dat Tim Krabbé lang plannen heeft gesmeed om de Kronkel in dat busje een keer te vervangen door een Kronkel van eigen hand. Het was een fijn plan, maar er waren enige complicaties. Ik keek om me heen en spotte toen vlak bij het borstbeeld van Carmiggelt de bosjes waarin Annie M. Schmidt en Renate Rubinstein zich verscholen hielden toen het beeld onthuld werd. Tiny, de weduwe van Carmiggelt leefde nog en had Renate die zo lang een verhouding met haar man had niet uitgenodigd.

Daarom ging Renate toen maar in de bosjes zitten. Het is dit jaar vijftig jaar geleden dat De Vervalsers van Theo Kars verscheen. Om het te vieren verschijnt vandaag een herdruk van de roman, waarin Kars de oplichterspraktijken ­beschrijft die er toe leidden dat hij twee jaar gevangenisstraf kreeg. Plus de tijd om zijn boek te schrijven. Voor de gelegenheid heb ik het herlezen en het beviel me zoals het me vijftig jaar geleden beviel.

Kort na het verschijnen had ik een afspraak met Theo die toen op een kamer in de Reguliersdwarsstraat woonde. Niet zonder trots liet hij me zijn boekenkast zien die erg klein was. Nadat we Montherlant, Vailland, Graham Greene besproken hadden, gingen we naar het Rembrandtplein waar hij me op het terras van Monico uitlegde hoe je het moest aanleggen een vrouw te verleiden. Hij had daar een tot in details uitgewerkt scenario voor, zo bleek.

Ik hoorde zijn uiteenzetting met een enige verbazing aan. Ik had altijd gedacht dat het allemaal van zelf ging. Je zag een leuk meisje, zij zag jou, je lachte eens naar elkaar en voor je het wist, was je waar je wezen wou. Maar zo was het niet, zei Theo.

Het ging er om de juiste dingen te zeggen en te doen. Zo moest je­ ­tegen meisjes zeggen dat je een hekel aan voetbal had. Ik vroeg meiden vaak of ze zin hadden om zondag mee te gaan naar voetballen en daar zeiden ze zelden nee tegen, maar volgens Kars was dat dus fout.

Hoe meiden reageerden op de bokswedstrijden die ik met ze ­bezocht, heb ik hem nooit verteld. Wegens kaastrek ging ik de Kaaswaag binnen waar Theo die van de kaas is achter de toonbank iets onduidelijks stond te rommelen. Ik heb vandaag al twee keer een natte rug gehaald. Mijn oom, vertelde ik, was timmerman. Hij verbouwde Chinezen en peeskamers, in de Bloedstraat, de Monnikenstraat, de Barnde­steeg.

Goede vraag voor iemand die altijd tussen de meisjes heeft gewoond. Hij was toen een jaar of Op zijn zevende of achtste had zijn vader hem een keer naar tante Gré gestuurd om haar haar boodschappen te brengen. Gré zat op twee hoog in de Oude Nieuwstraat.

Er lopen nog wel groepen, maar ze zijn niet meer zo groot en her en der signaleerde ik zelfs een toerist die het avontuur Amsterdam in gezinsverband had aangedurfd. Fietsen blijft ­gevaarlijk, maar de rijen bij de ­attracties zijn tot hanteerbare proporties geslonken, Japanse meisjes zijn met zijn tweeën en het ­immer boos kijkende rugzakmeisje is weer alleen. We zijn er nog niet maar het gaat de goede kant op. Laatst was ik in de Javastraat die me na de Eerste Van Swinden een beetje tegenviel.

Ik was toen op de fiets. Nu waren we weer in de ­Javastraat, maar te voet. De Java Bookshop bijvoorbeeld, toch een sieraad van de straat, was me geheel ontgaan.

Om over de diverse viswinkels nog maar te zwijgen. Bij El Pescado meen ik achterin de zaak zelfs ­tafeltjes te zien, tafeltjes die tot een zekerheid uitgroeien als ­iemand die in die streken vis staat schoon te maken ons wenkt om binnen te komen.

Andere keer, ­besluiten we. Als we bij Bedford-Stuyvesant zijn neergestreken, waar de dienster haar debuut maakt, en dat doet ze goed, denk ik aan de illegale tafeltjes achterin de viswinkel van Jan op de hoek van de Damstraat en de Oudezijds Voor.

Jan serveerde daar illegale oesters en schonk daarbij nog veel illegalere witte wijn, wat smaakte zoals ­alleen verboden vruchten smaken kunnen.

De Javastraat neemt zijn einde bij het spoorviaduct. Daar staat Snackkar de Kale Man, een beter slot voor een straat laat zich niet denken. Het was druk voor de etalage van de fossielenwinkel op de hoek van de Eerste Jacob van Campenstraat en de Ruysdaelkade.

Er stonden maar liefst drie mensen met hun neus tegen de ruit en met mij erbij werden dat er vier. Nadat twee liefhebbers ­waren opgekrast, bleef ik achter in het gezelschap van een dame die haar fiets aan haar hand hield. Maar laatst is er een merel tegen mijn raam gevlogen en die kost dus niks. Hij ligt nog op het balkon, maar hij is hele­maal schoon.

Nu moet ik ­alleen nog het koppie van het lijf scheiden. Ik liep de Jacob van Campenstraat in, waar me een man tegemoet kwam die drie lege lijsten over zijn schouder had hangen.

Op de door Christo ingepakte Pont Neuf in Parijs heb ik een man zien lopen die een ingepakt schilderij onder zijn arm had.

Dat is 32 jaar geleden, maar zoiets vergeet je niet. Vanuit de Frans Halsstraat kwam een wit busje aanrijden. Ik hield mijn pas in om het te laten passeren, maar het busje stopte voor me. De man achter het stuur rookte een shagje en gebaarde dat ik door kon lopen. Ik lachte en gebaarde iets vriendelijks terug.

Ik poker graag, zolang het maar niet om geld gaat. Wie wil weten wat er mis kan gaan, kan te raden bij de ­Sopranos, waar ze als ze iemand te gronde willen richten vaak de ­pokertafel neerzetten.

Opmerkelijk dat mensen als ze winnen, willen doorspelen omdat ze aan het winnen zijn, en als ze verliezen, willen doorspelen om het verloren geld terug te winnen.

Beide mogelijkheden leiden tot verlies. In een eindeloze pokernacht heb ik eens twee vrienden geheel maar dan ook geheel uitgeschud. Toen we weer bij zinnen waren, heb ik ze alles teruggeven en het plechtige besluit genomen nooit meer om geld te spelen.

En daar heb ik me aan gehouden. Maar zolang het om lucifers, schelpen of fiches gaat, poker ik graag. Op een dag viel er een uitnodiging in de bus van het Holland Casino Amsterdam.

Of ik mee wilde doen aan hun pokertoernooi voor journalisten. Dat wilde ik, en ik was niet de enige zo bleek toen ik op een herfstige middag voor het eerst van mijn leven het Casino betrad. Je zag het aan de manier waarop we onze kaarten vasthielden, naar de dealer keken of de fiches over de groene tafel schoven.

Met een paartje zevens blufte ik een hele tafel af om vervolgens door te gaan naar de finale. Waarin ik genadeloos onderuit werd gehaald door de correspondent van het Schager Sufferdje. Het einde van een mooie droom. Sinds rij ik met enige regelmaat de stad in of uit met de trein die me afhankelijk van in of uit richting Centraal Station voert of richting Zaanstreek.

Ik heb het altijd een leuk ritje gevonden. Als ik in de stad inkom, zit ik bij voorkeur rechts in de coupé en verheug ik me op het moment dat ik de toren van de Westerkerk zal zien.

Ook de prachtige dubbele rij bomen op het Westergasterrein mag zich in alle seizoenen op mijn belangstelling verheugen. Als ik de stad uit rij, zit ook aan de rechterkant. Vroeger keek ik dan vooral uit naar het welhaast ondeelbaar korte ogenblik dat je in een bocht de Hembrug zag liggen. Ter hoogte van het Prinseneiland schreeuwt van alles om aandacht, het elegante ophaalbruggetje over de Prinseneilandsgracht, de pakhuizen, de scheepswerfjes, de smalle straten, maar ik kijk uit naar de achterkant van een gebouw, waarvan ik de voorkant nooit gevonden heb, al was maar omdat ik er nooit naar heb ­gezocht.

Op die achterkant, vlak onder de daklijst, staat met zwarte letters op een gele achtergrond: Van sommige woorden krijg je een smaak in je mond. Het eerste wat me opviel op de expositie Kijk Amsterdam in het Stadsarchief was dat het Amsterdam van zoals hier te zien veel meer op het Amsterdam van nu lijkt dan het Amsterdam van mijn jonge jaren. Ga met Reinier Vinkeles op de Geldersekade staan en kijk in de richting van de Schreierstoren en je ziet dat je ziet wat hij zag.

Hij zag het in , tweehonderdvijfenvijftig jaar geleden. Vijfenveertig jaar geleden kwam ik vaak op de Geldersekade. En buiten was het een zooitje, heel anders dan op de lieflijke prent van Vinkeles. Toch is er een ding dat de prent met de Geldersekade van de jaren zeventig verbindt. De man die tegen een boom staat te wateren. Opmerkelijk zijn ook de vele begrafenisstoeten die voorbij trekken, en als je er eenmaal een gezien hebt, zie je ook overal honden ronddartelen.

Of er inderdaad ­zoveel honden in de stad rondliepen, waag ik overigens te betwijfelen. Ze lijken vaak aanwezig om wat vaart in de boel te brengen, want de mensen staan nogal eens stil. De poes komt er bekaaid af. Ik telde er maar een. Op een huiselijk tafereeltje van Jacob Cats ligt hij op een kussentje op een stoel naast het haardvuur heerlijk poes te wezen. En straks weer muizenvangen. Lang geleden zat ik eens met Tom Egbers bij Wildschut. Het zal in zijn geweest, want we hadden het over De zwarte meteoor, het boek dat Egbers had geschreven over Steve Mokone, de uit Zuid-Afrika afkomstige voetballer met wie Heracles in kampioen werd.

Van de tweede divisie, dat wel. De zwarte meteoor is het enige boek over een voetballer dat ik gelezen heb. Arie Rekelbast ken ik uit Arie Rekelbast: Piet Keizer is niet verzonnen en ik zou graag een boek over hem lezen, maar ik geloof niet dat het bestaat. In Wildschut zat ik met Egbers te praten over dat wonderbaarlijke Almelose seizoen van Mokone toen er voor het raam een nog veel wonderbaarlijker gestalte opdook. Een man van middelbare leeftijd had zich vlak voor de ruit op zijn hurken laten zakken en sprong stuiterend op en neer, terwijl hij met een uitgestrekte arm naar ­Egbers wees.

Van de week zag ik Tom Egbers zitten bij Wildschut. Ik overwoog actie, maar zag er van af wegens oude knieën. In zijn boek Amsterdam bij gaslicht, met illustraties van Fiep Westendorp, beschrijft Maurits Dekker de spelletjes uit zijn jeugd en stelt anno vast dat ze allemaal verdwenen zijn.

Het gekke is dat ik die spelletjes anno allemaal gespeeld heb. Of heb zien spelen. Er waren nu eenmaal meidenspelletjes, waaraan je als jezelf respecterende jongen niet kon meedoen.

Maar voor de rest herkende ik ­alles, van Schipper mag ik overvaren tot hoepelen, oorlogverklaren, landjepik, diefie-met-verlos en Spanjolen, een spel dat door Dekker overigens niet genoemd wordt. Als ik door een stille straat loop, neem ik nog wel eens de stoep-rand.

Met gespreide armen als was ik een koorddanser zet ik mijn ene voet voor de andere op het blauwe steen. Haal ik de hoek, dan komt het goed.

En als ik van de stoeprand val, dan telt het niet. Tegels zijn, zoals iedereen weet, voor dit spel, dat nog altijd druk gespeeld wordt, ook heel geschikt. Een naam heeft het niet bij mijn ­weten, maar het is kindermagie.

Net als de putdeksel die ik ­onlangs aandeed en die nog steeds de putdeksel is die als doel diende als wij op het autoloze pleintje na het poten een potje putten.

Met een niet al te grote, maar ook weer niet te kleine rubberen bal. Blauw-Wit tegen Ajax speelden we. Of Engeland tegen Hongarije. En wie er ook won, we wonnen altijd. En ineens ben je op weg naar huis. De hele middag lag de stad wijd open en kon je alle kanten op, naar de Diemerdijk of Jongensland, naar het Victorieplein, naar de oude Sloterweg of de Ringdijk, maar toen ik de Utrechtsestraat uit kwam en het Frederiksplein bereikte, wist ik dat het einde van de rit in zicht was.

Door mezelf af te vragen waar de Galerij ook alweer stond, probeerde ik nog wat uitstel te kopen, maar erg lukken wou het niet. Ik heb geen scherpe herinneringen aan de Galerij. Je zag er wel eens een kind op een grote bal lopen of op een eenwieler balanceren, maar het was er vooral stil, meen ik. Mijn herinneringen lijken met de Galerij verdwenen. Ik ben al bij de Govert Flinckstraat als ik voor de zoveelste keer bedenk dat ik eens moet kijken hoe het nou precies ziet met Van Woustraat 28, waar Hoyer woonde over wie Bavink tegen de journalist die hem, in Mene Tekel, komt interviewen zegt: Zo slecht en onreviaans als de verhalen in The acrobat zijn, zo goed zijn dezelfde verhalen als Vier wintervertellingen.

Alies uit Hengelo die als ze mijn haren knipt vaak zo gezellig met mij praat, had een oudere heer onder de kapmantel met wie ze meteen een gezellig gesprek ­begon.

Hoe oud hij was, wilde ze weten. Een indiscrete vraag , maar als Alies hem stelt, ben je maar al te graag bereid haar te antwoorden. Dat had ze niet gedacht, ze had eerder gedacht dat hij tachtig was, begin tachtig, vierentachtig op zijn hoogst. Iedereen om je heen gaat dood, je broers, je zusters, iedereen. Het hoorde erbij, vond hij. Dat deed de al wat oudere heer. Hij deed ook nog ­alles zelf, behalve koken. Zijn eten liet hij komen.

Zondag word ik negentig. De oudere heer zei dat hij naar zijn zoons ging, en dan zag hij wel zag wat zij bekokstoofd hadden. Ze vindt het best leuk dat ik met enige regelmaat over haar bericht, dus ik had een vaag vermoeden van wat komen ging.

Het lijkt onvoorstelbaar, maar er zijn in de stad hele pleinen die zich een leven lang verborgen weten te houden. Ik was op zoek naar een beroemde zuurwinkel in de Vechtstraat en toen ik die niet vinden kon, reed ik een tijdje doelloos in de rondte, heerlijk. Even later werd me duidelijk waarom. Want daar lag ineens de remise met zijn indrukwekkende uitruksporen, prachtig woord, in al zijn majesteit. Als kind ben ik eens in de remise geweest waar nu de Hallen zitten.

Het rook er naar lak en oud ijzer. Een opa die nooit echt een opa worden wou, schilderde daar de tram. Dat deed hij goed. Hij droeg, meen ik me te herinneren, een witte overall.

Douwe was de derde man van mijn vaders moeder. Hij las de Waarheid en mijn vader had van kinds af aan een ­hekel aan hem gehad. Hij stierf aan keelkanker. Veel drinken was hem verboden, maar op een middag vroeg hij me of ik bij de kruidenier op de hoek van de Willem de Zwijgerlaan een paar flesjes bier voor hem wilde halen.

Hij kon bijna niet meer praten. Het was een ­zomerse dag en door de hitte liep ik langzaam langs het Rijpgrachtje, de centen in mijn hand. Een paar dagen later was hij dood. Ik volgde de Kromme Mijdrechtstraat, stak de Vrijheidslaan over, keek even naar de Wolkenkrabber en belandde vervolgens op het Meerhuizenplein. En vandaar op het al even grote plein dat tussen Reggestraat, Berkelstraat en IJsselstraat zit ingeklemd.

Twee in één klap, nog vijf en ik kon me ­meten met het snijdertje uit het sprookje. Zoals iedere wereldstad kent New York een paar plaatsen waar je geweest moet zijn. Als je als toerist in Amsterdam bent, pak je op Muiderpoort de 3 naar de Zoutkeetsgracht. Daarna eet je op het Haarlemmerplein een haring van Dok, want zo hoort het, en wat hoort, valt nooit tegen. Toen onze taxi voorreed, stond er een ontmoedigend lange rij, maar sneller dan gedacht bereikten we de ingang, waar de rij zich in drie nieuwe rijen splitste, een voor afhalers, een voor zelfbedieners en een voor mensen zoals wij die een tafeltje met bediening wilden.

Het spektakel was overweldigend, overal tafeltjes, overal mensen en overal voedsel. Een jongeman riep de namen af van de mensen die aan de beurt waren voor een tafel. We ­bestellen de pastrami sandwich, zoals iedereen dat doet en als het broodje, wat eigenlijk geen broodje heten mag, voor me staat, weet ik dat ik met een gerust hart naar Amsterdam terug kan keren.

Met mijn strohoed, mijn wandelstok en mijn drollenvanger was ik op Knickerbocker Avenue al snel een geziene figuur. Heerlijke straat, waar van alles te beleven valt. Op de hoek met Bleecker, onder de bovengrondse ondergrondse, waar mijn dagelijkse wandeling begon, verkopen ze voortreffelijk geroosterde kippen, goed om te weten, zou ik zeggen en als je de hoek om slaat, strekt de Avenue zich in al zijn charme voor je uit. Als je maar lang genoeg doorloopt, kom je vanzelf aan de Pacific.

Maar eerst is het tijd voor mijn praatje met de kleine Peruaan aan zijn karretje die ervoor zorgen kan dat het tamelijk onpersoonlijke armbandje dat je ooit hebt laten vlechten helemaal het jouwe wordt. Er is nog niet veel te doen, laat hij weten, maar vanavond wordt dat anders, let maar op! Toen ik klein was, was ik heel groot, maar naarmate ik groter werd, werd ik kleiner. Vandaag de dag waan ik me in Amsterdam vaak tussen reuzen.

lesbische meisjes hebben sex marokkaanse hoeren sex